
Een verbrandingsmotor zet brandstof om in beweging via vier slagen: inlaat, compressie, arbeid en uitlaat. Dit wordt het viertaktprincipe genoemd.
Tijdens de arbeidsslag ontsteekt een bougie (benzine) of de hoge compressie (diesel) het brandstof-luchtmengsel. De uitzetting drukt de zuiger omlaag en draait de krukas.
De krukas brengt het vermogen via de versnellingsbak naar de wielen. Het toerental en de versnelling bepalen samen de snelheid en het beschikbare koppel.